Bijvoorbeeld: Staatsexamen, KNM, prijs, MVV

    Meld je aan

    Gratis · A1 · 120 woorden

    Woordenlijst A1 met uitspraak

    De eerste 120 woorden die je nodig hebt, per thema. Hoor hoe je ze uitspreekt en oefen met kaarten: wat je nog niet weet, komt terug.

    • Per thema
    • Met de of het
    • Voorbeeldzin bij elk woord
    • Engels en Perzisch

    Oefen met kaarten

    Kies een thema

    Niets wordt opgeslagen. De uitspraak komt van de Nederlandse stem op je eigen toestel.

    Alle woorden per thema

    Kennismaken

    • het adresaddressآدرسWat is uw adres?
    • dank je welthank youممنون / تشکرDank je wel voor je hulp.
    • goedemorgengood morningصبح بخیرGoedemorgen, hoe gaat het?
    • hallohelloسلامHallo, ik ben Ali.
    • hetento be calledنام داشتنHoe heet jij? Ik heet Reza.
    • het landcountryکشورUit welk land kom je?
    • leuk kennis te makennice to meet youاز آشنایی‌تان خوشوقتم / از دیدن‌تان خوش شدمIk ben Fatima. Leuk kennis te maken!
    • de naamnameنام / اسمMijn naam is Sara.
    • sprekento speakصحبت کردن / گپ زدنIk spreek een beetje Nederlands.
    • de taallanguageزبانWelke taal spreek je thuis?
    • het telefoonnummerphone numberشمارهٔ تلفن / نمبر تیلفونMag ik je telefoonnummer?
    • tot ziensgoodbyeخداحافظTot ziens en een fijne dag!

    Familie

    • de broerbrotherبرادرMijn broer heet Omid.
    • de dochterdaughterدخترMijn dochter is drie jaar oud.
    • getrouwdmarriedازدواج‌کردهAli en Mina zijn getrouwd.
    • het gezinfamily (household)خانوادهWij zijn een gezin met twee kinderen.
    • het kindchildکودک / طفلHet kind speelt buiten.
    • de manman, husbandمرد، شوهرDit is mijn man, Karim.
    • de moedermotherمادرMijn moeder woont nog in Kabul.
    • de oudersparentsپدر و مادرMijn ouders komen op bezoek.
    • de vaderfatherپدرMijn vader is kok.
    • de vrouwwoman, wifeزن، همسرDit is mijn vrouw, Leila.
    • de zoonsonپسرOnze zoon gaat naar school.
    • de zussisterخواهرMijn zus is ouder dan ik.

    Getallen en tijd

    • de dagdayروزWelke dag is het vandaag?
    • half achthalf past sevenساعت هفت و نیمDe film begint om half acht.
    • honderda hundredصدDit huis is honderd jaar oud.
    • het jaaryearسالIk woon hier al een jaar.
    • de maandmonthماهMijn verjaardag is deze maand.
    • de minuutminuteدقیقهDe thee is over een minuut klaar.
    • morgentomorrowفرداMorgen ga ik naar de markt.
    • tientenدهTom heeft tien euro.
    • twintigtwentyبیستMina is twintig jaar oud.
    • het uurhour, o'clockساعتIk werk acht uur per dag.
    • vandaagtodayامروزVandaag is het warm.
    • de weekweekهفتهVolgende week ga ik op vakantie.

    Eten en drinken

    • de appelappleسیبMina eet elke dag een appel.
    • het broodbreadنانIk eet brood met kaas.
    • drinkento drinkنوشیدنWat wil je drinken?
    • etento eatخوردنWat eten we vanavond?
    • de koffiecoffeeقهوهTom drinkt koffie zonder melk.
    • de melkmilkشیرEr is geen melk meer.
    • het ontbijtbreakfastصبحانه / ناشتاHet ontbijt is om zeven uur.
    • de rijstriceبرنجVandaag eten we rijst met kip.
    • de theeteaچایWil je thee met suiker?
    • de tomaattomatoگوجه‌فرنگی / بادنجان رومیDe tomaat is rood.
    • het vleesmeatگوشتSara eet geen vlees.
    • het waterwaterآبIk drink veel water.

    Wonen

    • de badkamerbathroomحمام / تشنابDe badkamer is naast de keuken.
    • het bedbedتخت‌خواب / چپرکتIk ga om elf uur naar bed.
    • de deurdoorدر / دروازهDoe de deur dicht, alsjeblieft.
    • het huishouseخانهOns huis heeft drie kamers.
    • de huurrentاجاره / کرایهDe huur is hoog.
    • de kamerroomاتاقDeze kamer is klein.
    • de keukenkitchenآشپزخانهLeila kookt in de keuken.
    • het raamwindowپنجره / کلکینIk doe het raam open.
    • de slaapkamerbedroomاتاق خوابMijn slaapkamer is boven.
    • de stoelchairصندلی / چوکیPak een stoel en ga zitten.
    • de tafeltableمیزHet eten staat op tafel.
    • wonento liveزندگی کردنSara woont in Amsterdam.

    Stad en vervoer

    • de autocarماشین / موترReza gaat met de auto.
    • de busbusاتوبوس / بسDe bus komt om tien uur.
    • het centrumtown centreمرکز شهرIk ga naar het centrum.
    • de fietsbicycle, bikeدوچرخه / بایسکلFatima heeft een nieuwe fiets.
    • het kaartjeticketبلیت / تکتIk koop een kaartje voor de trein.
    • linksleft, on the leftچپDe bakker is links.
    • lopento walkپیاده رفتنIk loop naar de winkel.
    • rechtdoorstraight onمستقیمGa rechtdoor tot het station.
    • de stadcity, townشهرAmsterdam is een grote stad.
    • het stationstationایستگاه (قطار)Waar is het station?
    • de straatstreetخیابان / سرکIk woon in deze straat.
    • de treintrainقطار / ریلIk neem de trein naar Utrecht.

    Winkelen

    • betalento payپرداخت کردنIk betaal contant.
    • de boodschappenshopping, groceriesخرید روزانه / سوداAli doet vandaag de boodschappen.
    • duurexpensiveگران / قیمتDie schoenen zijn te duur.
    • het geldmoneyپولIk heb geen geld bij me.
    • goedkoopcheapارزانOp de markt is groente goedkoop.
    • de kassatill, checkoutصندوقU kunt bij de kassa betalen.
    • kopento buyخریدنIk wil een broek kopen.
    • kostento costقیمت داشتنHoeveel kost dat?
    • de marktmarketبازارOp zaterdag is er markt.
    • pinnento pay by cardبا کارت بانکی پرداخت کردنKan ik hier pinnen?
    • de supermarktsupermarketسوپرمارکتDe supermarkt is tot tien uur open.
    • de winkelshopمغازه / دکانDe winkel gaat om negen uur open.

    Gezondheid

    • de afspraakappointmentقرار ملاقاتIk heb om drie uur een afspraak.
    • de apotheekpharmacy, chemist'sداروخانه / دواخانهIk haal medicijnen bij de apotheek.
    • de dokterdoctorپزشک / داکترIk moet naar de dokter.
    • gezondhealthyسالم / صحتمندVeel water drinken is gezond.
    • het hoofdheadسرMijn hoofd doet pijn.
    • de huisartsGP (family doctor)پزشک خانواده / داکتر خانوادهBel eerst de huisarts.
    • de koortsfever, temperatureتبHet kind heeft koorts.
    • het medicijnmedicineدارو / دواNeem het medicijn na het eten.
    • de pijnpainدردIk heb pijn in mijn rug.
    • de tandartsdentistدندان‌پزشک / داکتر دندانIk ga morgen naar de tandarts.
    • ziekill, sickبیمار / مریضMina is ziek en blijft thuis.
    • het ziekenhuishospitalبیمارستان / شفاخانهFatima werkt in het ziekenhuis.

    Werk en school

    • de baasbossرئیس / آمرMijn baas is heel aardig.
    • het boekbookکتابDit boek is voor de les.
    • de collegacolleagueهمکارMijn collega heet Tom.
    • de cursuscourseدوره / کورسSara volgt een cursus Nederlands.
    • het huiswerkhomeworkتکلیف / کارخانگیReza maakt zijn huiswerk.
    • de leraarteacherمعلمDe leraar legt het woord uit.
    • lerento learnیاد گرفتنIk leer elke dag tien woorden.
    • de leslessonدرسDe les duurt een uur.
    • de penpenخودکار / قلمSchrijf je naam met een pen.
    • de schoolschoolمدرسه / مکتبDe school begint om half negen.
    • het werkwork, jobکارIk ga met de fiets naar mijn werk.
    • werkento workکار کردنAli werkt in een restaurant.

    Dagelijks leven

    • helpento helpکمک کردنKun je mij even helpen?
    • de klerenclothesلباس / کالاIk trek warme kleren aan.
    • kokento cookآشپزی کردنOmid kookt heel lekker.
    • opstaanto get upاز خواب بلند شدنIk sta elke dag vroeg op.
    • de regenrainبارانMorgen valt er veel regen.
    • slapento sleepخوابیدنHet kind slaapt al.
    • de telefoonphoneتلفن / تیلفونMijn telefoon is kapot.
    • de tijdtimeوقتHeb je even tijd?
    • de vriendfriendدوستIk ga met vrienden naar het park.
    • wassento washشستنKarim wast de auto.
    • het weekendweekendآخر هفتهIn het weekend werk ik niet.
    • het weerweatherهواHoe is het weer vandaag?

    Verder met een docent?

    In de A1-cursus leer je deze woorden gebruiken in gesprekken, met uitleg in het Farsi, Dari of Engels. Ook voor het examen in het buitenland.

    Gratis intake

    Plan een gratis intake of stel je vraag via WhatsApp. We antwoorden in het Nederlands, Engels, Farsi of Dari.