Bijvoorbeeld: Staatsexamen, KNM, prijs, MVV

    Meld je aan

    Gids

    De of het? Zo leer je de lidwoorden

    Gecontroleerd met officiële bronnen op 24 september 20264 min lezen

    In het kort

    • Het Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden, de en het; welk lidwoord bij een zelfstandig naamwoord hoort, moet je meestal per woord leren.
    • In het Nederlands is het lidwoord in het meervoud altijd de, en een verkleinwoord op -je is altijd een het-woord: de huizen, het huisje.
    • Nederlandse woorden op -heid, -ing en -tie zijn de-woorden, woorden op -isme zijn het-woorden en woorden op -ment zijn meestal het-woorden.
    • Leer elk nieuw Nederlands zelfstandig naamwoord meteen met het lidwoord erbij: niet ‘huis’, maar ‘het huis’.

    In het Nederlands staat vaak een klein woord voor een zelfstandig naamwoord: de, het of een. Dat zijn lidwoorden. In deze les leer je wanneer je de en het gebruikt, welke regels echt kloppen en hoe je de lidwoorden het makkelijkst onthoudt.

    De, het en een

    De en het gebruik je voor iets bekends of iets bepaalds: de tafel (die tafel hier). Een gebruik je voor één ding dat nog niet bekend is: een tafel.

    Elk zelfstandig naamwoord is een de-woord of een het-woord. Bij een hoef je niet te kiezen: een past bij allebei.

    de-woord het-woord
    de tafel – een tafel het huis – een huis
    de man – een man het kind – een kind
    de stoel – een stoel het boek – een boek
    de fiets – een fiets het raam – een raam

    Er zijn meer de-woorden dan het-woorden. Maar voor de meeste woorden is er geen regel: je moet het lidwoord per woord leren.

    Meervoud: altijd de

    In het meervoud is het lidwoord altijd de, ook bij het-woorden. Een heeft geen meervoud.

    enkelvoud meervoud
    het huis de huizen
    het kind de kinderen
    de tafel de tafels
    een boek boeken

    Verkleinwoorden: altijd het

    Een verkleinwoord maak je met -je (of -tje, -pje, -etje). Een verkleinwoord is altijd een het-woord, ook als het gewone woord een de-woord is.

    • de tafel → het tafeltje
    • de boom → het boompje
    • de bloem → het bloemetje
    • het huis → het huisje

    Daarom zeg je ook het meisje: het woord eindigt op -je.

    Vuistregels die kloppen

    Voor een deel van de woorden kun je het lidwoord wél zien. Deze regels kun je vertrouwen:

    Soort woord Lidwoord Voorbeelden
    meervoud altijd de de boeken, de kinderen
    verkleinwoord (-je) altijd het het tafeltje, het meisje
    woorden op -heid de de gezondheid, de vrijheid
    woorden op -ing (van een werkwoord) de de woning, de oefening
    woorden op -tie de de informatie, de politie
    een werkwoord als naam van een ding het het eten, het leven
    namen van talen het het Nederlands, het Farsi
    woorden op -isme het het toerisme, het racisme
    woorden op -ment meestal het het moment, het document
    mensen en beroepen meestal de de vrouw, de docent, de arts

    Let op de uitzonderingen bij mensen: het kind en het meisje zijn het-woorden.

    Tip: leer het lidwoord meteen mee

    • Leer nooit alleen huis, maar altijd het huis. Zeg het hardop.
    • Maak twee lijsten: één met de-woorden en één met het-woorden.
    • Twijfel je? Zoek het woord op in de Woordenlijst Nederlandse Taal (het Groene Boekje) op woordenlijst.org. Daar zie je of een woord een de-woord of een het-woord is.

    Die of dat, deze of dit

    Ook deze, dit, die en dat hangen af van het lidwoord:

    bij een de-woord bij een het-woord
    hier, dichtbij deze stoel dit boek
    daar, verder weg die stoel dat boek
    in een bijzin de man die hier woont het boek dat ik lees

    In het meervoud gebruik je altijd deze of die: deze boeken, die kinderen.

    Groot of grote?

    Een bijvoeglijk naamwoord (zoals groot, mooi, nieuw) staat vaak voor een zelfstandig naamwoord. Meestal krijgt het dan een -e. Bij een het-woord in het enkelvoud met een, of zonder lidwoord, komt er geen -e.

    de-woord het-woord
    met de of het de grote tafel het grote huis
    met een een grote tafel een groot huis
    meervoud de grote tafels de grote huizen

    Zonder lidwoord: koud water, vers brood (het-woorden, geen -e), maar warme soep (de-woord). Let op de spelling: groot wordt grote, dik wordt dikke.

    Let op als je Farsi of Dari spreekt

    • Het Perzisch heeft geen woorden zoals de en het. Het is dus normaal dat je het lidwoord in het begin vergeet. Voor een woord dat je kunt tellen (zoals auto of boek) staat in het enkelvoud bijna altijd iets: de, het, een of een woord als mijn of deze. Zeg dus niet Ik heb auto, maar Ik heb een auto.
    • In het Perzisch zijn woorden niet mannelijk of vrouwelijk. In het Nederlands zegt de of het ook niets over man of vrouw: de man en de vrouw zijn allebei de-woorden, en het meisje is een het-woord.
    • In het Perzisch komt het bijvoeglijk naamwoord na het zelfstandig naamwoord: je zegt letterlijk ‘huis groot’. In het Nederlands staat het ervoor: een groot huis.
    • Goed nieuws: in het meervoud hoef je niet na te denken. Het is altijd de.

    Je kunt dit oefenen in de A1-cursus of met de gratis woordenlijst A1.

    Gratis intake

    Plan een gratis intake of stel je vraag via WhatsApp. We antwoorden in het Nederlands, Engels, Farsi of Dari.