In het kort
- Het Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden, de en het; welk lidwoord bij een zelfstandig naamwoord hoort, moet je meestal per woord leren.
- In het Nederlands is het lidwoord in het meervoud altijd de, en een verkleinwoord op -je is altijd een het-woord: de huizen, het huisje.
- Nederlandse woorden op -heid, -ing en -tie zijn de-woorden, woorden op -isme zijn het-woorden en woorden op -ment zijn meestal het-woorden.
- Leer elk nieuw Nederlands zelfstandig naamwoord meteen met het lidwoord erbij: niet ‘huis’, maar ‘het huis’.
In het Nederlands staat vaak een klein woord voor een zelfstandig naamwoord: de, het of een. Dat zijn lidwoorden. In deze les leer je wanneer je de en het gebruikt, welke regels echt kloppen en hoe je de lidwoorden het makkelijkst onthoudt.
De, het en een
De en het gebruik je voor iets bekends of iets bepaalds: de tafel (die tafel hier). Een gebruik je voor één ding dat nog niet bekend is: een tafel.
Elk zelfstandig naamwoord is een de-woord of een het-woord. Bij een hoef je niet te kiezen: een past bij allebei.
| de-woord | het-woord |
|---|---|
| de tafel – een tafel | het huis – een huis |
| de man – een man | het kind – een kind |
| de stoel – een stoel | het boek – een boek |
| de fiets – een fiets | het raam – een raam |
Er zijn meer de-woorden dan het-woorden. Maar voor de meeste woorden is er geen regel: je moet het lidwoord per woord leren.
Meervoud: altijd de
In het meervoud is het lidwoord altijd de, ook bij het-woorden. Een heeft geen meervoud.
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| het huis | de huizen |
| het kind | de kinderen |
| de tafel | de tafels |
| een boek | boeken |
Verkleinwoorden: altijd het
Een verkleinwoord maak je met -je (of -tje, -pje, -etje). Een verkleinwoord is altijd een het-woord, ook als het gewone woord een de-woord is.
- de tafel → het tafeltje
- de boom → het boompje
- de bloem → het bloemetje
- het huis → het huisje
Daarom zeg je ook het meisje: het woord eindigt op -je.
Vuistregels die kloppen
Voor een deel van de woorden kun je het lidwoord wél zien. Deze regels kun je vertrouwen:
| Soort woord | Lidwoord | Voorbeelden |
|---|---|---|
| meervoud | altijd de | de boeken, de kinderen |
| verkleinwoord (-je) | altijd het | het tafeltje, het meisje |
| woorden op -heid | de | de gezondheid, de vrijheid |
| woorden op -ing (van een werkwoord) | de | de woning, de oefening |
| woorden op -tie | de | de informatie, de politie |
| een werkwoord als naam van een ding | het | het eten, het leven |
| namen van talen | het | het Nederlands, het Farsi |
| woorden op -isme | het | het toerisme, het racisme |
| woorden op -ment | meestal het | het moment, het document |
| mensen en beroepen | meestal de | de vrouw, de docent, de arts |
Let op de uitzonderingen bij mensen: het kind en het meisje zijn het-woorden.
Tip: leer het lidwoord meteen mee
- Leer nooit alleen huis, maar altijd het huis. Zeg het hardop.
- Maak twee lijsten: één met de-woorden en één met het-woorden.
- Twijfel je? Zoek het woord op in de Woordenlijst Nederlandse Taal (het Groene Boekje) op woordenlijst.org. Daar zie je of een woord een de-woord of een het-woord is.
Die of dat, deze of dit
Ook deze, dit, die en dat hangen af van het lidwoord:
| bij een de-woord | bij een het-woord | |
|---|---|---|
| hier, dichtbij | deze stoel | dit boek |
| daar, verder weg | die stoel | dat boek |
| in een bijzin | de man die hier woont | het boek dat ik lees |
In het meervoud gebruik je altijd deze of die: deze boeken, die kinderen.
Groot of grote?
Een bijvoeglijk naamwoord (zoals groot, mooi, nieuw) staat vaak voor een zelfstandig naamwoord. Meestal krijgt het dan een -e. Bij een het-woord in het enkelvoud met een, of zonder lidwoord, komt er geen -e.
| de-woord | het-woord | |
|---|---|---|
| met de of het | de grote tafel | het grote huis |
| met een | een grote tafel | een groot huis |
| meervoud | de grote tafels | de grote huizen |
Zonder lidwoord: koud water, vers brood (het-woorden, geen -e), maar warme soep (de-woord). Let op de spelling: groot wordt grote, dik wordt dikke.
Let op als je Farsi of Dari spreekt
- Het Perzisch heeft geen woorden zoals de en het. Het is dus normaal dat je het lidwoord in het begin vergeet. Voor een woord dat je kunt tellen (zoals auto of boek) staat in het enkelvoud bijna altijd iets: de, het, een of een woord als mijn of deze. Zeg dus niet Ik heb auto, maar Ik heb een auto.
- In het Perzisch zijn woorden niet mannelijk of vrouwelijk. In het Nederlands zegt de of het ook niets over man of vrouw: de man en de vrouw zijn allebei de-woorden, en het meisje is een het-woord.
- In het Perzisch komt het bijvoeglijk naamwoord na het zelfstandig naamwoord: je zegt letterlijk ‘huis groot’. In het Nederlands staat het ervoor: een groot huis.
- Goed nieuws: in het meervoud hoef je niet na te denken. Het is altijd de.
Je kunt dit oefenen in de A1-cursus of met de gratis woordenlijst A1.