In het kort
- In een gewone Nederlandse zin (een hoofdzin) staat het vervoegde werkwoord op de tweede plaats: ‘Ik werk vandaag.’
- Begint een Nederlandse zin met een tijd of een plaats, dan komt het onderwerp direct na het werkwoord: ‘Vandaag werk ik.’ Dat heet inversie.
- Staan er in een Nederlandse zin twee werkwoorden, dan staat het tweede werkwoord achteraan: ‘Ik wil morgen komen’ en ‘Ik heb gisteren gewerkt.’
- In een Nederlandse bijzin met ‘omdat’ of ‘dat’ staat het werkwoord aan het eind, net als in het Perzisch: ‘Ik blijf thuis, omdat ik ziek ben.’
Veel Nederlandse woorden ken je misschien al. Maar in welke volgorde zet je ze? In het Nederlands heeft het werkwoord een vaste plek in de zin. Ken je die plek, dan maak je snel goede zinnen. In deze les zie je de belangrijkste regels, met veel voorbeelden.
Hoofdzin: het werkwoord op plaats 2
In een gewone zin (een hoofdzin) staat het vervoegde werkwoord op plaats 2. Het vervoegde werkwoord heet ook de persoonsvorm: het werkwoord dat verandert bij ik, jij of hij (ik werk, hij werkt). Op plaats 1 staat vaak het onderwerp.
Let op: een plaats is niet altijd één woord. Mijn broer of om negen uur is samen één plaats.
| plaats 1 | plaats 2 (werkwoord) | de rest |
|---|---|---|
| Ik | woon | in Utrecht. |
| Mijn broer | werkt | in een winkel. |
| Wij | leren | Nederlands. |
| De les | begint | om negen uur. |
Begin je met een tijd of plaats? Dan inversie
Je kunt de zin ook beginnen met iets anders, bijvoorbeeld een tijd (morgen, vandaag, om acht uur) of een plaats (in de winkel, hier). Het werkwoord blijft dan op plaats 2. Het onderwerp komt direct na het werkwoord. Dat heet inversie.
| plaats 1 | plaats 2 (werkwoord) | onderwerp | de rest |
|---|---|---|---|
| Morgen | ga | ik | naar de dokter. |
| Vandaag | werkt | mijn vrouw | thuis. |
| In de winkel | spreek | ik | Nederlands. |
| Op zaterdag | speel | ik | voetbal. |
Niet: Morgen ik ga naar de dokter. Wel: Morgen ga ik naar de dokter.
Vragen
Een ja/nee-vraag begint met het werkwoord. Een vraag met een vraagwoord (wat, waar, wanneer, hoe, wie, waarom) begint met het vraagwoord. Het werkwoord staat dan op plaats 2.
| soort vraag | voorbeeld |
|---|---|
| ja/nee-vraag | Woon je in Utrecht? |
| ja/nee-vraag | Heb je kinderen? |
| met vraagwoord | Waar woon je? |
| met vraagwoord | Hoe laat begint de les? |
| met vraagwoord | Wat doe je morgen? |
Let op: staat je of jij na het werkwoord, dan valt de -t weg. Je zegt jij werkt, maar Werk jij morgen?
Twee werkwoorden: het tweede werkwoord achteraan
Staan er twee werkwoorden in de zin? Dan staat het vervoegde werkwoord op plaats 2 en het andere werkwoord helemaal achteraan. Dat gebeurt bijvoorbeeld met willen, kunnen, moeten en gaan, en in de voltooide tijd met hebben en zijn.
| plaats 1 | plaats 2 | midden | einde |
|---|---|---|---|
| Ik | wil | morgen | komen. |
| Wij | moeten | om negen uur | beginnen. |
| Ik | ga | vanavond | koken. |
| Ik | heb | gisteren | gewerkt. |
| Zij | is | naar de markt | gegaan. |
| Morgen | kan | ik niet | komen. |
Bijzin met omdat of dat: werkwoord achteraan
Een bijzin is een zin die niet alleen kan staan. Hij begint vaak met omdat, dat of als. In een bijzin staat het vervoegde werkwoord aan het eind.
| hoofdzin | bijzin |
|---|---|
| Ik blijf thuis, | omdat ik ziek ben. |
| Ik kom niet, | omdat ik moet werken. |
| Ik denk | dat de winkel dicht is. |
| Hij zegt | dat hij morgen komt. |
| Bel me | als je tijd hebt. |
Begin je met de bijzin? Dan is de hele bijzin plaats 1, en daarna komt het werkwoord: Omdat ik ziek ben, blijf ik thuis.
Let op: na want is het géén bijzin. Het werkwoord staat dan gewoon op plaats 2: Ik blijf thuis, want ik ben ziek.
Werkwoorden in twee delen
Sommige werkwoorden hebben twee delen, zoals opbellen, meenemen, opstaan en afspreken. In een hoofdzin gaat het eerste deel naar het eind van de zin.
| werkwoord | voorbeeld |
|---|---|
| opbellen | Ik bel mijn moeder vanavond op. |
| meenemen | Neem je een paraplu mee? |
| opstaan | Ik sta om zeven uur op. |
| afspreken | We spreken morgen om drie uur af. |
Met twee werkwoorden of in een bijzin blijft het werkwoord heel: Ik wil mijn moeder opbellen. / …omdat ik mijn moeder opbel. In de voltooide tijd komt ge in het midden: Ik heb mijn moeder opgebeld.
Alles op een rij
| soort zin | voorbeeld | waar staat het werkwoord? |
|---|---|---|
| hoofdzin | Ik werk morgen. | plaats 2 |
| inversie | Morgen werk ik. | plaats 2, onderwerp erna |
| ja/nee-vraag | Werk je morgen? | plaats 1 |
| vraag met vraagwoord | Wanneer werk je? | plaats 2 |
| twee werkwoorden | Ik wil morgen werken. | plaats 2 + einde |
| bijzin | …omdat ik morgen werk. | einde |
Let op als je Farsi of Dari spreekt
- In het Perzisch staat het werkwoord meestal aan het eind van de zin. In een Nederlandse hoofdzin zet je het naar voren, naar plaats 2. Niet: Ik morgen naar mijn werk ga. Wel: Ik ga morgen naar mijn werk.
- Begin je met morgen, vandaag of nu? Zet het werkwoord er dan direct achter: Vandaag ga ik naar school.
- In het Perzisch maak je van een zin vaak een vraag met alleen je stem. In het Nederlands verandert ook de volgorde: Je woont hier. → Woon je hier?
- Goed nieuws: in een bijzin met omdat, dat of als staat het werkwoord aan het eind, net als in het Perzisch. Die volgorde ken je dus al.
Je kunt dit oefenen in de A1-cursus of met de gratis woordenlijst A1.