In het kort
- Jezelf voorstellen doe je met korte zinnen als ‘Ik heet Amir’, ‘Ik kom uit Afghanistan’, ‘Ik woon in Utrecht’ en ‘Ik ben 32 jaar’.
- Bij je leeftijd gebruik je in het Nederlands het werkwoord ‘zijn’: je zegt ‘Ik ben 32 jaar’ en niet ‘Ik heb 32 jaar’.
- Tegen onbekenden en bij instanties zeg je ‘u’, tegen vrienden en vaak ook tegen collega’s ‘je’ of ‘jij’; het is ‘u bent’ en niet ‘u is’.
- Vragen die je vaak hoort zijn ‘Hoe heet u?’, ‘Waar komt u vandaan?’, ‘Waar woont u?’, ‘Hoe oud bent u?’ en ‘Wat voor werk doet u?’.
Wie ben je en waar kom je vandaan? Dat vragen mensen vaak als ze je voor het eerst ontmoeten: bij de gemeente, bij de dokter, op je werk of op school. In deze les leer je korte zinnen om jezelf voor te stellen, en de vragen die je vaak hoort.
Begroeten
- Goedemorgen. Ik ben Amir. – Goedemorgen. Ik ben Sara.
- Na het voorstellen zeg je vaak: Aangenaam. of Leuk je te ontmoeten.
- Je zegt goedemorgen tot 12 uur, daarna goedemiddag en ’s avonds goedenavond. Hallo kan altijd.
Zinnen over jezelf
| Over | Zo zeg je het | De vraag |
|---|---|---|
| je naam | Ik heet Amir. Mijn achternaam is Ahmadi. | Hoe heet u? Wat is uw achternaam? |
| je land | Ik kom uit Afghanistan. Ik kom uit Iran. | Waar komt u vandaan? |
| je woonplaats | Ik woon in Utrecht. Ik woon in Kabul. | Waar woont u? |
| je leeftijd | Ik ben 32 jaar. | Hoe oud bent u? |
| je talen | Ik spreek Dari en een beetje Nederlands. | Welke talen spreekt u? |
| je familie | Ik ben getrouwd. Ik heb twee kinderen. | Bent u getrouwd? Hebt u kinderen? |
| je werk | Ik ben kok. Ik werk in een winkel. | Wat voor werk doet u? |
Moet je je naam spellen? In de les Het Nederlandse alfabet en de uitspraak leer je de namen van de letters.
Meer over familie en werk
- Ik ben getrouwd. / Ik ben niet getrouwd.
- Mijn vrouw heet Maryam. / Mijn man woont in Den Haag.
- Ik heb een zoon en een dochter. / Ik heb geen kinderen.
- Ik ben kapper. / Ik studeer. / Ik zoek werk. / Ik werk niet.
- Ik ben geboren in Herat. / Ik ben geboren op 3 maart 1994.
Bij een beroep zeg je meestal geen een: Ik ben kok. Hoe je een datum zegt, lees je in de les Getallen, de klok en datums.
U of je?
- U zeg je tegen mensen die je niet kent, tegen oudere mensen en bij instanties, zoals de gemeente.
- Je of jij zeg je tegen vrienden, familie en kinderen. Veel collega’s zeggen ook snel je.
- Twijfel je? Begin dan met u. Zegt de ander Zeg maar je, dan mag je je zeggen.
| ik | je / jij | u |
|---|---|---|
| ik ben | je bent | u bent |
| ik heb | je hebt | u hebt (of: u heeft) |
| ik woon | je woont | u woont |
| ik kom | je komt | u komt |
Het is u bent, niet u is. U hebt en u heeft zijn allebei goed. Staat je ná het werkwoord, dan valt de t weg: Waar woon je? Maar bij u blijft de t: Waar woont u?
Een kort gesprek
- A: Goedemorgen. Hoe heet u?
- B: Ik heet Sara Rahimi.
- A: Waar komt u vandaan?
- B: Ik kom uit Iran. Ik woon in Teheran.
- A: Hoe oud bent u?
- B: Ik ben 28 jaar.
- A: Bent u getrouwd?
- B: Ja. Mijn man woont in Rotterdam. Hij werkt in een restaurant.
Let op als je Farsi of Dari spreekt
- Ik ben 32 jaar. In het Perzisch ‘heb’ je jaren. In het Nederlands gebruik je zijn: Ik ben 32 jaar, niet Ik heb 32 jaar.
- Hij of zij. Het Perzisch heeft één woord voor hij en zij (او). In het Nederlands zeg je hij voor een man en zij of ze voor een vrouw: Mijn vrouw heet Maryam. Zij is 27 jaar.
- U en je ken je al. Net als het Perzisch heeft het Nederlands een beleefde vorm (u) en een gewone vorm (je). Maar in Nederland zeggen mensen al snel je, bijvoorbeeld op het werk.
- Het werkwoord op de tweede plaats. Begin je de zin niet met ik? Zet het werkwoord dan direct na het eerste deel: Nu woon ik in Kabul. Dus niet: Nu ik woon in Kabul.
- Uitspraak. Zeg Ik spreek zonder e ervoor, dus niet Ik espreek. En let op de w in Ik woon en Wat: die is anders dan de v.
Oefen hardop voor Spreken
Zeg je zinnen hardop en neem jezelf op met je telefoon. Luister terug: hoor je elke klinker? Moet je het Basisexamen Inburgering Buitenland (het mvv-examen) doen? Op MVV-examen oefenen beantwoord je korte vragen over jezelf en je dagelijks leven, zoals Hoeveel mensen zijn er in uw gezin?
Je kunt dit ook oefenen in de A1-cursus of met de gratis woordenlijst A1 (thema’s Kennismaken en Familie).